Arbocatalogus Afvalbranche

Dé arbostandaard voor alle bedrijven in de afvalsector!

Gezondheid

Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Kwartsstof bij beladen

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Niet de aanwezigheid van kwartshoudende materialen is het belangrijkste probleem, maar het inademen van kwartsstof dat vrijkomt. Kwartsstof komt voornamelijk vrij bij het storten van zand en de overslag van bouw- en sloopafval. In dit onderdeel zijn de maatregelen vermeld bij vrijkomen van kwartsstof in de buitenlucht tijdens de inzameling van bedrijfsafval. Het vrijkomen van kwartsstof uit bouw- en sloopafval is zeer beperkt omdat de inzameling hoofdzakelijk gebeurt met afzetcontainers en bigbags die op het voertuig worden neergezet en niet worden overgestort. Uit metingen blijkt dat de blootstelling aan kwartsstof tijdens de belading van bouw- en sloopafval zeer gering is, namelijk onder de detectiegrens (<1,22 µg/m³); de concentratie onder de detectiegrens is met de huidige methoden niet te meten. Alleen de wettelijk verplichte maatregelen zijn nodig om de stofconcentratie zo laag mogelijk te houden.

Kwartsstof is heel fijn stof, dat niet of nauwelijks te zien is. Kwartsstof bestaat uit hele kleine onoplosbare stofdeeltjes die diep in de longen terecht komen en daar bindweefselvorming veroorzaken. Dat wordt longfibrose of ook wel stoflongen (of silicose) genoemd. Het longweefsel kan dan minder zuurstof opnemen en wordt minder elastisch. Dat betekent dat iemand bij inspanning kortademig en benauwd wordt, gaat hoesten en last krijgt van pijn op de borst. Hoe meer stof iemand heeft ingeademd, hoe meer schade ontstaat. En die schade is niet meer te herstellen. De beschadiging van de longen gaat door ook al wordt de persoon niet meer blootgesteld aan kwartsstof. Het kwarts is dan namelijk nog in de longen aanwezig. Het verraderlijke is dat de meeste mensen in eerste instantie niet zoveel van merken; pas op latere leeftijd volgt kortademigheid en andere effecten van longaandoeningen.

Bronmaatregelen om het vrijkomen van kwartsstof bij de belading van bouw- en sloopafval te voorkomen, zijn niet of nauwelijks te realiseren. Desondanks blijft de blootstelling aan kwartsstof ver onder de norm. Bij het ontstaan van kwartsstof bij puinbreekinstallaties en kwartsstof in hallen is het nemen van aanvullende maatregelen vaak wel noodzakelijk.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Kwartsstof bij puinbreekinstallaties

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Niet de aanwezigheid van kwartshoudende materialen is het belangrijkste probleem, maar het inademen van kwartsstof dat vrijkomt. Het puin dat bij puinbrekers wordt geboden bestaat voornamelijk uit baksteen, cement en beton. In deze materialen komt kwarts voor dat door bewerking in stofvorm kan vrijkomen.

Kwartsstof bestaat uit hele kleine onoplosbare stofdeeltjes die diep in de longen terecht komen en daar bindweefselvorming veroorzaken. Dat wordt longfibrose of ook wel stoflongen (of silicose) genoemd. Het longweefsel kan dan minder zuurstof opnemen en wordt minder elastisch. Dat betekent dat iemand bij inspanning kortademig en benauwd wordt, gaat hoesten en last krijgt van pijn op de borst. Hoe meer stof iemand heeft ingeademd, hoe meer schade ontstaat. En die schade is niet meer te herstellen. De beschadiging van de longen gaat door ook al wordt de persoon niet meer blootgesteld aan kwartsstof. Het kwarts is dan namelijk nog in de longen aanwezig. Het verraderlijke is dat de meeste mensen in eerste instantie niet zoveel van merken; pas op latere leeftijd volgt kortademigheid en andere effecten van longaandoeningen.

Kwartsstof staat op de lijst van kankerverwekkende stoffen waarbij de kans op blootstelling tot het absolute minimum moet worden teruggebracht. Dat betekent nulblootstelling daar waar dit technisch uitvoerbaar is. De wet spreekt van ‘een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde’. De wettelijke grenswaarde is 0,075 mg/m3 waarboven geen blootstelling mag plaatsvinden.

Brekers zijn wettelijk verplicht na te gaan of en in welke mate medewerkers aan kwartsstof blootgesteld worden – of kunnen worden - en moeten passende maatregelen treffen in lijn met het streven om tot nulblootstelling te komen.

Het nemen van maatregelen aan de bron is niet eenvoudig, maar het vochtig houden en besproeien van materialen en het terrein werkt doeltreffend om de concentratie kwartsstof in de lucht laag te houden. Het nemen van maatregelen moet conform de arbeidshygiënische strategie gebeuren, waarbij achtereenvolgens bronaanpak, het inzetten van collectieve maatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen als tijdelijke maatregel het uitgangspunt vormen.

Mogelijke technische maatregelen om stofvorming (emissie) van kwartsstof te minimaliseren zijn:

  • sproeien van water in de brekermond

  • sproeien van water op overslagpunt van puin/granulaat

  • vernevelen van water op de brekerinstallatie

  • bevochtigen van het terrein

  • bevochtigen van binnengekomen puin

  • windzifting van productstromen met filterinstallatie op afgevangen luchtstroom

  • stofafzuiging

Rijdend materieel rondom de brekerinstallatie moet voorzien zijn van een overdrukcabine met unit stoffilters.

Mogelijke organisatorische maatregelen bij buitenwerkzaamheden aan en rond de puinbreker om blootstelling te minimaliseren zijn:

  • minimaliseren van arbeidsduur

  • bovenwinds (met de rug in de wind) werken

  • operatorruimte inrichten als cabine met toevoer van verse lucht

  • toepassen van cabine met toevoer van verse lucht bij handpicking aan de uitvoerband

  • gebruiken van adembescherming met P3 filter

Bij een puinbreekinstallatie die in een hal is opgesteld, wordt het risico kwartsstof in hallen toegepast.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 

Brekerbedrijven treffen de maatregelen die op de bedrijfsvoering van de puinbreker zijn toegespitst. De maatregelen dienen te zijn gericht op verdere minimalisering van de blootstelling onder de grenswaarde en op 0-blootstelling in de – nabije – toekomst.

Goedgekeurd door Inspectie SZW

Kwartsstof op stortplaats

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Niet de aanwezigheid van kwartshoudende materialen is het belangrijkste probleem, maar het inademen van kwartsstof dat vrijkomt. Kwartsstof komt voornamelijk vrij bij het storten van zand en de overslag van bouw- en sloopafval. In dit onderdeel zijn de maatregelen vermeld in het geval van vrijkomen van kwartsstof op de stortplaats. Bij het ontstaan van kwartsstof bij puinbreekinstallaties en kwartsstof in hallen zijn andere maatregelen belangrijk dan bij kwartsstof in de buitenlucht.

Bronmaatregelen om het vrijkomen van kwartsstof in de branche te voorkomen, zijn niet of nauwelijks te realiseren. Het bevochten van het buitenterrein van stortplaatsen is een effectieve maatregel om stofverspreiding naar de omgeving te vermijden en daarmee de concentratie kwartsstof in de ademlucht te beperken. Op stortplaatsen wordt over het algemeen gewerkt op voertuigen met een overdrukcabine waardoor de blootstelling aan kwartsstof onder de grenswaarde blijft.

Kwartsstof is heel fijn stof, dat niet of nauwelijks te zien is. Kwartsstof bestaat uit hele kleine onoplosbare stofdeeltjes die diep in de longen terecht komen en daar bindweefselvorming veroorzaken. Dat wordt longfibrose of ook wel stoflongen (of silicose) genoemd. Het longweefsel kan dan minder zuurstof opnemen en wordt minder elastisch. Dat betekent dat iemand bij inspanning kortademig en benauwd wordt, gaat hoesten en last krijgt van pijn op de borst. Hoe meer stof iemand heeft ingeademd, hoe meer schade ontstaat. En die schade is niet meer te herstellen. De beschadiging van de longen gaat door ook al wordt de persoon niet meer blootgesteld aan kwartsstof. Het kwarts is dan namelijk nog in de longen aanwezig. Het verraderlijke is dat de meeste mensen in eerste instantie niet zoveel van merken; pas op latere leeftijd volgt kortademigheid en andere effecten van longaandoeningen.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 
Overeenstemming tussen werknemers en werkgevers

Taken en verantwoordelijkheden

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document

Doel

Het doel van dit document is het vastleggen van de taken en verantwoordelijkheden bij het uitvoeren van het veiligheidsbeleid van de organisatie. Bij het nemen van maatregelen is er specifiek aandacht voor gebrek aan taalbeheersing bij laaggeletterden en anderstaligen en voor de veiligheid van uitzendkrachten en vrijwilligers.

Welke groepen zijn er op een bedrijfsterrein?

De groepen zijn:

  1. Eigen personeel en stagiairs (vast en tijdelijk)
  2. Mensen met afstand tot de arbeidsmarkt (SROI)
  3. Uitzendkrachten
  4. Opdrachtnemers (aannemers)
  5. Vervoerders (vervoerders met VIHB registratieplicht, beroepsvervoerders en eigen vervoerders)
  6. Vrijwilligers
  7. Bezoekers (aanwezigen zonder werktaak)
Beschrijving van het risico 

Wie is verantwoordelijk voor veiligheid?

Vooraf moet worden opgemerkt dat de verantwoordelijk voor veiligheid juridisch behoorlijk gecompliceerd is. In onderstaande tekst wordt getracht in begrijpelijke taal een samenvatting van de wettelijke regels te geven. Dit betekent dat de tekst niet volledig is en nuanceringen zijn weggelaten. In de praktijk is er veel verwarring over de juiste interpretatie van de regels binnen bedrijven, al geven gerechtelijke uitspraken (jurisprudentie) veel houvast. Het verdient aanbeveling om bedrijfsjurist of externe jurist te raadplegen bij het opstellen van veiligheidsregels in het bedrijf en het houden van toezicht op de naleving ervan. Uitgangspunt is dat iedere werkgever verantwoordelijk is voor de veiligheid van zijn eigen werknemers en van personen die onder zijn gezag werken zoals ingeleend personeel. 

Het afvalbedrijf (de inrichting) is verantwoordelijk voor de veiligheid en de gezondheid van de mensen die op het bedrijfsterrein komen en werken. Het gaat daarbij niet alleen om het eigen (ingehuurde) personeel en opdrachtnemers, maar ook om de veiligheid en gezondheid van bezoekende vervoerders en derden die geen werk verrichten.

De werkgever van het afvalbedrijf is verantwoordelijk voor de veiligheid van het eigen personeel en stagiairs. Het afvalbedrijf is ook verantwoordelijk voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt (SROI) die als onderdeel van een aanbesteding of overeenkomst verplicht worden ingehuurd of in dienst genomen zoals bijstandgerechtigden en reïntegrerende werknemers. Dit betekent ondermeer zorg voor een veilige werkomgeving en werkplek en de veilige uitvoering van de werkzaamheden waaronder de arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen die gebruikt worden.

Opdrachtgever

De inlenende werkgever is de primair verantwoordelijke partij voor het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van uitzendkrachten die onder zijn toezicht en leiding arbeid verrichten, ook al heeft betrokkene een arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau dat verantwoordelijk is voor het selecteren, begeleiden en inzetten van betrokkene(n) voor het werk bij de inlenende partij. Opdrachtgever kan bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van een algemene opleiding en het beschikbaar stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen bij het uitzendbureau leggen mits schriftelijk overeengekomen.

Opdrachtnemer

Opdrachtnemers zijn bedrijven die voor bepaalde werkzaamheden (de opdracht) worden ingehuurd. Opdrachtnemers zijn bijvoorbeeld aannemers (contractors), onderaannemers (subcontractors), en ZZP-ers. De werknemers van een externe partij (opdrachtnemer) werken onder het gezag van de opdrachtnemende werkgever. De laatste is primair verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid en gezondheid van de werknemers die onder zijn gezag werken. Desondanks heeft de opdrachtgever de wettelijke verplichting om bij het verstrekken van de opdracht (aanbesteding) zich te vergewissen van de veiligheids- en gezondheidsaspecten bij de uitvoering van de werkzaamheden. Veiligheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van opdrachtgever en opdrachtnemer. Zo moet de opdrachtgever bijvoorbeeld zorgen voor een veilige werkomgeving (door risicoanalyse en adequate beheersmaatregelen) en de geldende veiligheidsregels binnen zijn inrichting in een aantoonbare afspraak (contract/overeenkomst) met de opdrachtnemer vastleggen. De opdrachtnemer is zelf verantwoordelijk voor de arbeidsmiddelen die ze meenemen en inzetten (keuringen, ontwerpeisen als machinerichtlijn, bijhorende opleidingen van zijn werknemers en het houden van toezicht). In geval van een incident zal Inspectie SZW altijd de feitelijke situatie onderzoeken en nagaan of zowel de opdrachtnemer (de werkgever van een slachtoffer) als de opdrachtgever hun verplichtingen hebben nageleefd.

Hoewel ZZP-ers niet onder het gezag van de opdrachtgever vallen, geldt dat zij voor de arboregels (vrijwel) gelijk gesteld worden aan het eigen personeel, zeker als de opdracht in samenwerking met de eigen werknemers van de opdrachtgever wordt uitgevoerd.

Overige rollen

Als er op of buiten het bedrijfsterrein van het afvalbedrijf meerdere werkgevers leiding aan werkzaamheden geven, dan dient de opdrachtgever – dus het afvalbedrijf, altijd vooraf met de opdrachtnemer(s) af te spreken en (contractueel) vast te leggen wie voor welke veiligheidsaspecten verantwoordelijk is.

Vervoerders werken niet in opdracht van afvalbedrijven, maar voeren wel werkzaamheden met en aan hun voertuig uit op diens locatie. Het afvalbedrijf dient huisregels voor de veiligheid op het bedrijfsterrein op te stellen, deze duidelijk en eenduidig kenbaar te maken en toezicht te houden op de naleving ervan. Onder huisregels vallen bijvoorbeeld verkeersregels, scheiding van zones en veiligheidssignaleringen die eenduidig en duidelijk zijn aangebracht op voor chauffeurs en bezoekers goed zichtbare plaatsen; pictogrammen hebben de voorkeur boven tekst vanwege taalbarrières. Deze groep bestaat uit vervoerders die vallen onder de registratieplicht VIHB en vervoerders die vallen onder de Wet Wegvervoer Goederen (beroepsvervoerder en eigen vervoerder).

Soms worden vrijwilligers ingezet bij de inzameling van oudpapier. Een inzamelbedrijf is daarbij niet slechts faciliterend door het ter beschikking stellen van een inzamelvoertuig met chauffeur, maar heeft als opdrachtgever de verantwoordelijkheid voor ondermeer het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen, en de instructie bij en het houden van toezicht op de veiligheid bij de papierinzameling.

Voor de veiligheid van bezoekers is de eigenaar van het bedrijfsterrein verantwoordelijk.

Veiligheid en communicatie

Het niet voldoende begrijpen van mondelinge en schriftelijke veiligheidscommunicatie zoals regels, geboden en verboden leidt tot miscommunicatie, mogelijk met een ongeval tot gevolg. Voorbeelden van communicatie over veiligheid zijn:

  • trainingen en onderricht
  • instructies, werkoverleg en toolboxmeetings tijdens het werk
  • mondelinge instructies en veiligheidswaarschuwingen op het werk die betrokkene zelf onvoldoende kan geven aan een ander of niet goed kan begrijpen van een ander
  • veiligheidsdocumentatie zoals bedrijfsregels, terreinregels, instructiefilm, laad- en losinstructies, noodprocedure bij calamiteit/alarm/ongeval/ontruiming
  • pictogrammen zoals op waarschuwingsborden en in bedieningsfuncties
  • specifieke instructies, gebruikshandleidingen, procedures en dergelijke
  • communicatie bij een dreigend incident of calamiteit

Taaleis bij gereglementeerde beroepen

Voorbeelden van gereglementeerde beroepen zijn asbestverwijderaar, machinist mobiele bouwkraan (art. 7.32 Arbobesluit) en veiligheidskundige. Voor het uitoefenen van gereglementeerde beroepen, met name beroepen waarvoor een certificaat nodig is, geldt een wettelijke taaleis. Certificaathouders moeten de Nederlandse taal beheersen. Indien een groep samenwerkende mensen onderling in een andere taal begrijpelijk communiceert, is dat toegestaan. Ook bij functies waarin werkzaamheden met gevaarlijk afval worden verricht zoals het inzamelen van chemisch afval (bij bedrijven, de Milieustraat en chemokar), is aandacht voor voldoende taalbeheersing vereist.

Extreme weersomstandigheden

Extreme weersomstandigheden komen steeds vaker voor. Voorbeelden zijn hevige wind en windstoten met stormkracht, gladheid door sneeuw en ijzel, tropische temperaturen tijdens de zomermaanden en onweer met zware regenbuien. Het weer beïnvloedt direct het werk in de afvalbranche, maar er kunnen heel grote verschillen tussen de regio’s in Nederland optreden. Dat maakt dat het beoordelen van de lokale weersomstandigheden alleen ter plekke kan worden gedaan. De actuele weersomstandigheden per regio zijn op het internet en via de radio uitstekend te volgen, met name als er sprake is van een weeralarm.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 
Goedgekeurd door Inspectie SZW

(half)donkere composteerhallen

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Hallen voor gft-compostering hebben vaak weinig verlichting. Daar het uitgangspunt is dat medewerkers zo weinig mogelijk in de hallen aanwezig zijn, is dit meestal niet van belang. Indien toch werkzaamheden nodig zijn, bijvoorbeeld bij onderhoud, reparaties en storingen, moet de werkplek zodanig verlicht zijn dat medewerkers zonder gevaar de werkzaamheden kunnen doen, bijvoorbeeld door het aanbrengen van tijdelijke verlichting. De verlichting moet zo zijn aangebracht dat er geen gevaar voor ongevallen is.

Bij onvoldoende verlichting ontstaat er risico op struikelen, stoten, onveilige situaties en ongevallen, omdat de werkplek en de omgeving niet goed zichtbaar is.

Wet- en regelgeving 

Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Artikel 6.3 Arbobesluit inzake Daglicht en kunstlicht
  • Artikel 3.9 Arbobesluit inzake Noodverlichting

Overige regelgeving, normen, richtlijnen en dergelijke

  • Normblad NEN-EN 12464-1:2003 nl Licht en verlichting - Werkplekverlichting - Deel 1: Werkplekken binnen.
  • Normblad NEN-EN 12464-2:2007 en Licht en verlichting - Werkplekverlichting - Deel 2: Werkplekken buiten.
Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME in een hal

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document

In hallen zoals de composteerhal, de brekerhal, de sorteerhal en de opslag- en overslaghal worden shovels en kranen gebruikt waardoor er blootstelling aan dieselmotoremissie voorkomt. Op de dieselaangedreven motoren van vrachtwagens bij het laden en lossen in een magazijn, loods, opslaghal of overslaghal is DME bij laden en lossen van toepassing.

Composteerhal

In veel composteerbedrijven worden in een hal organische afvalstoffen gecomposteerd. Voor de handling van afvalstoffen worden shovels en kranen gebruikt. Shovels worden gebruikt om het gft-afval op de juiste plaats brengen, de composteerinstallatie te voeden en compost weer af te voeren. Een probleem bij de metingen van DME in composteerinstallaties is de verstoring van de metingen van elementair koolstof (EC) door de in compost aanwezige organische en elementaire koolstof, hetgeen blijkt uit diverse onderzoeken.

Brekerhal

Bij een beperkt aantal bedrijven wordt puin inpandig gebroken. De brekerinstallatie wordt doorgaans bedreven met krachtstroom. In enkele situaties wordt voor de brekerinstallatie een dieselaggregaat toegepast voor het opwekken van stroom. Voor de handling van het puin en het recyclinggranulaat worden shovels gebruikt. Shovels wordt gebruikt om de brekerinstallatie te voeden en de afvoer van recyclinggranulaat te verzorgen.

Sorteerhal

In veel bedrijven worden in een sorteerhal afvalstoffen gesorteerd. De sorteerinstallatie wordt doorgaans bedreven met krachtstroom. In enkele situaties wordt voor de sorteerinstallatie een dieselaggregaat toegepast voor het opwekken van stroom. Voor de handling van afvalstoffen worden shovels en kranen gebruikt. Shovels worden gebruikt om het afval op de juiste plaatst brengen, de sorteerinstallatie te voeden en gesorteerde monostromen weer af te voeren. Kranen worden gebruikt om afvalstoffen te sorteren en de sorteerinstallatie te voeden.

Op- en overslaghal

In overslaghallen worden bijvoorbeeld de gestorte afvalstoffen met behulp van shovels en sorteerkranen overgeslagen in containers of vrachtauto’s. De shovels zijn vaak niet alleen gebonden aan de overslaghal, maar rijden ook elders op het terrein. De sorteerkranen werken voornamelijk in de overslaghal en verplaatsen zich over korte afstanden tussen de sorteervakken.

Op het gebruik van een dieselmotor bij het laden en lossen in een magazijn, loods, opslaghal of overslaghal is van toepassing: DME bij laden en lossen.

Beschrijving van het risico 

In de hallen van brekerinstallaties, sorteerinstallaites, composteerinstallaties en overslaghallen gelden de volgende situaties.

Situatie 1

De afvalstoffen worden rechtstreeks in de containers voor aftransport gestort of de afvalstoffen worden met behulp van een elektrisch aangedreven sorteer- of portaalkraan overgeslagen of een krachtstroom aangedreven brekerinstallatie, sorteerinstallatie of composteerinstallatie.

Maatregelen: geen.

Situatie 2

  • Er is een rechtstreekse afvoer van de uitlaatgassen door middel van een afvoerslag op de uitlaat.
  • De shovel en sorteerkraan zijn voorzien van een Stage 3b of een Tier 4 motor.
  • De shovel en sorteerkraan met een Stage 1, 2 of 3a of Tier 1, 2 of 3 motor zijn voorzien van een effectief roetfilter.

Maatregelen: gebruiken overdrukcabine bij DME en alle aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.

Bij gebruik van een dieselaggregaat in een hal zie: blootstelling aan DME in overige situaties.

Situatie 3

  • Er is geen rechtstreekse afvoer van de uitlaatgassen door middel van een afvoerslang op de uitlaat.
  • De shovel of sorteerkraan heeft een Stage 1, 2 of 3a of Tier 1, 2 of 3 motor of lager en is niet voorzien van een effectief roetfilter.

Maatregelen voor activiteit E (werken met shovels en sorteerkranen in op- en overslaghallen) en activiteit K (gebruik van dieselmotor tijdens het breken van puin in een brekerhal): treffen maatregel aan shovel of kraan in omsloten ruimte, alle aanvullende technische maatregelen, en alle aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen. Bovendien gebruik van overdrukcabine op shovel of kraan indien deze doorgaans langer dan 15 minuten per dag in een omsloten ruimte (hal) wordt gebruikt.

Maatregelen voor activiteit L (gebruik van dieselmotor tijdens sorteren van afval in een sorteerhal) en activiteit M (gebruik van dieselmotor in een composteerhal): beperken emissie van dieselmotor in omsloten ruimte, alle aanvullende technische maatregelen, en alle aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen. Indien geen rechtstreekse afvoer naar buitenlucht via slang op uitlaat van dieselmotor dan gebruik van overdrukcabine op shovel of kraan indien deze doorgaans langer dan 15 minuten per dag in een omsloten ruimte (hal) wordt gebruikt.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 

De verplichtingen rondom DME zijn nader toegelicht in het document Arbocatalogus Dieselmotoremissies. De verplichting om emissies te minimaliseren is de zogenoemde inspanningsverplichting van de werkgever; zie paragraaf 2.6 van voornoemd document voor een uitgebreide toelichting op de invulling van het begrip inspanningsverplichting.

Zie voor het gebruik van een dieselmotor bij het laden en lossen in een magazijn, loods, opslaghal of overslaghal: DME bij laden en lossen

Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME bij voertuig onderhoud

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Voor een onderhoudsbeurt rijden kranen, vrachtauto’s, bestelwagens en shovels de onderhoudswerkplaats naar binnen, daarna vindt onderhoud plaats en tot slot rijden ze weer naar buiten. Een bezwarende factor is de koude start. Tijdens het onderhoud wordt de motor van het voertuig getest.

Tijdens het vervangen van een inbouw roetfilter komt een hoeveelheid roetdeeltjes vrij. 

Maatregel: geven werkinstructie bij vervangen roetfilter.

Situatie 1

  • Diesel aangedreven voertuigen worden met behulp van andere hulpmiddelen in en uit de onderhoudswerkplaats gereden.
    Opmerking: gedurende de looptijd van de Arbocatalogus wordt nagegaan of dit realiseerbaar is.
  • Bij het testen en proefdraaien van dieselmotoren is situatie 1 niet van toepassing omdat DME inherent vrijkomt en het niet mogelijk is om de bron weg te nemen.

Maatregelen: geen.

Situatie 2

Diesel aangedreven voertuigen rijden op eigen kracht de onderhoudswerkplaats in of uit.

  • Vrachtwagens en bestelwagens zijn voorzien van een Euro 4, 5 of EEV-motor of een motor met een effectief roetfilter.
  • Kranen en shovels hebben een Stage 3b of een Tier 4 motor of zijn voorzien van een effectief roetfilter.
  • Er is een rechtstreekse afvoer van de uitlaatgassen door middel van een afvoerslang op de uitlaat. Deze wordt bevestigd voordat het voertuig naar binnen rijdt. 

Maatregelen: alle aanvullende technische maatregelen en alle aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen.

  • Het testen en proefdraaien vindt plaats in een daarvoor ingerichte testruimte. Op de uitlaat is een afvoerslang aangesloten.

Maatregel: aanvullende maatregelen bij het testen van dieselmotor worden genomen.

Opmerking persoonlijke beschermingsmiddelen van toepassing op situatie 2:

Wanneer tijdens het proefdraaien de testruimte moet worden betreden, bijvoorbeeld voor het afstellen van de motor, draagt de werknemer een halfgelaatmasker type P3.

Situatie 3

  • Diesel aangedreven voertuigen met een Euro 3 motor of lager of Stage 1, 2 of 3a of Tier 1, 2 of 3 motor zonder effectief roetfilter of ontregelde motoren Euro 4, 5, EEV, Stage 2 en 3a of Tier 2 en 3 rijden op eigen kracht de onderhoudswerkplaats in en uit.

Maatregelen: verminderen DME-blootstelling in werkplaats, alle aanvullende technische maatregelen en alle aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen.

  • Het testen en proefdraaien vindt plaats in een daarvoor ingerichte testruimte. Op de uitlaat is geen afvoerslang aangesloten.

Maatregelen: maatregel bronaanpak tijdens testen van dieselmotor in testruimte en aanvullende maatregelen bij het testen van dieselmotor worden genomen.

Opmerking persoonlijke beschermingsmiddelen van toepassing op situatie 3:

Wanneer tijdens het proefdraaien de testruimte moet worden betreden, bijvoorbeeld voor het afstellen van de motor, draagt de werknemer een halfgelaatsmasker type P3.

Wet en regelgeving 
Meer informatie 

De verplichtingen rondom DME zijn nader toegelicht in het document Arbocatalogus Dieselmotoremissies. De verplichting om emissies te minimaliseren is de zogenoemde inspanningsverplichting van de werkgever; zie paragraaf 2.6 van voornoemd document voor een uitgebreide toelichting op de invulling van het begrip inspanningsverplichting.

Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME bij achterlader

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Deze activiteit is van toepassing tijdens de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen met een achterlader, waarbij de medewerker het grootste deel van een werkdag in de directe omgeving werkzaam is van een rijdende afvalinzamelwagen.

Situatie 1

Er is géén blootstelling aan DME door bronnen in de werksituatie. De bron van DME is weggenomen. Er is een elektrische motor of een gasmotor met uitlaatkatalysator.

Maatregel: geen.

Situatie 2

De afvalinzamelwagen is voorzien van een Euro 4, 5 of EEV motor of heeft een effectief roetfilter.

Maatregelen: aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.

Situatie 3

De afvalinzamelwagen heeft een Euro 3 motor of lager zonder effectief roetfilter.

Maatregelen: verminderen DME bij achterlader en aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.

 

Goedgekeurd door Inspectie SZW

DME bij laden en lossen

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

In veel bedrijven worden in een loods, magazijn, op- of overslaghal goederen geladen en gelost. De bestelwagen, vrachtwagen of ander voertuig rijdt naar binnen en wordt daar geparkeerd. Na het lossen en laden rijdt de bestelwagen, de vrachtwagen of ander voertuig weer naar buiten.

Tijdens het lossen en laden is de diesel aangedreven motor:

  • uitgeschakeld: de dieselmotor draait alleen tijdens het naar binnen en buiten rijden van het voertuig, of
  • stationair draaiend: het gebruik van een diesel aangedreven motor is nodig tijdens het laden en lossen in een omsloten ruimte zoals een magazijn, loods of op- of overslaghal.

In een aantal situaties treedt een piekbelasting op, omdat in een korte tijd (bijvoorbeeld ½ tot 1 uur) de meeste bestelwagens, vrachtwagens en andere voertuigen naar binnen en naar buiten rijden. Indien er sprake is van een koude start geeft dit extra DME uitstoot.

Situatie 1

  • Het voertuig lost zelf buiten de omsloten ruimte, waarna op andere wijze (bijvoorbeeld met een elektrische heftruck) de goederen naar het magazijn, loods, op-, of overslaghal worden verplaatst.
  • Het verladen van goederen vindt plaats aan een dockshelter, waarbij de vrachtwagen, de bestelwagen of ander voertuig in de buitenlucht blijft.
  • Opslag van goederen en afvalstoffen vindt in de buitenlucht plaats.
  • De bestelwagen, vrachtwagen of ander voertuig is voorzien van een gasaandrijving met uitlaatkatalysator.
  • Het laden en lossen gebeurt niet met een diesel aangedreven motor maar bijvoorbeeld met een elektrische heftruck of een ander elektrisch aangedreven laad- en loshulpmiddel.
  • De voertuiggebonden diesel aangedreven applicaties worden tijdens het verblijf in de omsloten ruimte elektrisch aangedreven, zoals een aansluiting op krachtstroom.

Maatregelen: geen.

Situatie 2

  • De bestelwagens en vrachtwagens zijn voorzien van een Euro 4, 5 of EEV-motor.
  • De bestelwagens en vrachtwagens met een Euro 3 motor of lager zijn voorzien van een effectief roetfilter.
  • Er is een rechtstreekse afvoer van de uitlaatgassen door middel van een afvoerslang op de uitlaat.

Maatregelen: alle aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.

Situatie 3

De bestelwagens en vrachtwagens met een Euro 3 motor of lager zijn niet voorzien van een effectief roetfilter.

Maatregelen:

  • Indien de dieselmotor alleen wordt gebruikt om de omsloten ruimte in en uit te rijden, terwijl de motor uitgeschakeld is tijdens het laden en lossen:
    verminderen DME van rijdend voertuig en alle aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.
  • Bij stationair draaiende dieselmotor tijdens laden en lossen:
    verminderen DME van stationair draaiende motor en alle aanvullende technische en organisatorische maatregelen worden genomen.
Wet en regelgeving 
Meer informatie 

De verplichtingen rondom DME zijn nader toegelicht in het document Arbocatalogus Dieselmotoremissies. De verplichting om emissies te minimaliseren is de zogenoemde inspanningsverplichting van de werkgever; zie paragraaf 2.6 van voornoemd document voor een uitgebreide toelichting op de invulling van het begrip inspanningsverplichting.

Goedgekeurd door Inspectie SZW

Winters weer

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Beschrijving van het risico 

Veiligheids- en gezondheidsrisico’s bij het werken onder winterse weersomstandigheden met regen, hagel, sneeuw, ijzel en koude wind zijn:

  • Onderkoeling van het lichaam of bevangen raken door de kou
  • Bevriezing van lichaamsdelen bij hoge windsnelheden en lage temperaturen
  • Uitglijden en vallen bij vorst, sneeuw en ijzel
  • Verminderende weerstand tegen ziekte

Onderkoeling, bevangen raken en bevriezen wordt veelal veroorzaakt door langdurig buiten werken zonder doelmatige bescherming of verzorging. Dit kan leiden tot verminderde handvaardigheden, vooral bij ‘fijn motorische’ taken. Daarnaast loopt de bewegingsfunctie van het lichaam terug. Dit kan resulteren in:

  • Struikelen, vallen en/of uitglijden
  • Extra kans op verwonding door ongecontroleerde handelingen met machines zoals handgereedschap

Ook kan bevriezing leiden tot blijvend letsel of zelfs verlies van lichaamsdelen.

Bij sterke wind worden risicovolle omstandigheden eerder bereikt dan bij windstil weer. Dit is het gevolg van de windchillfactor, die bekend staat als gevoelstemperatuur.

Bij mist of regen, in het donker (begin en einde werkdag) en bij sterk tegenlicht (laaghangende zon) lopen medewerkers het risico niet gezien te worden.Tijdens werkzaamheden op de openbare weg is het verplicht om minimaal waarschuwingskleding – zichtkleding – van klasse 2 voor het bovenlichaam te dragen; zie ook het risico Verkeer

Extreme weersomstandigheden

Extreme weersomstandigheden komen steeds vaker voor. Voorbeelden zijn hevige wind en windstoten met stormkracht, gladheid door sneeuw en ijzel, tropische temperaturen tijdens de zomermaanden en onweer met zware regenbuien. Het weer beïnvloedt direct het werk in de afvalbranche, maar er kunnen heel grote verschillen tussen de regio’s in Nederland optreden. Dat maakt dat het beoordelen van de lokale weersomstandigheden alleen ter plekke kan worden gedaan. De actuele weersomstandigheden per regio zijn op het internet en via de radio uitstekend te volgen, met name als er sprake is van een weeralarm.

Wet- en regelgeving 

Arbeidsomstandighedenbesluit en -regeling

  • Artikel 6.1 inzake Temperatuur
  • Artikel 8.1 inzake Algemene vereisten persoonlijk beschermingsmiddel
  • Artikel 8.2 inzake Keuze persoonlijk beschermingsmiddel
  • Artikel 8.3 inzake Beschikbaarheid en gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen

Overige regelgeving, normen, richtlijnen en dergelijke

  • Norm NVN-ISO/TR 11079:1996 Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding
Meer informatie 

Pagina's

Abonneren op RSS - Gezondheid
randomness